WW-spelling v.t. (1)
Vragen:
1. (vinden) Joep _______________ een bot in de tuin.antwoord (optioneel): vond
2. (uitlaten) Ik _______________ elke dag de hond uit.
antwoord (optioneel): liet
3. (mogen) Jij _______________ wel eens naar de kapper.
antwoord (optioneel): mocht
4. (trachten) Wij _______________ snel te reageren op uw brief.
antwoord (optioneel): trachtten
5. (verbinden) De verpleegkundige _______________ de wond.
antwoord (optioneel): verbond
6. (landen) De vliegtuigen _______________ rustig.
antwoord (optioneel): landden
7. (vergeten) Dick _______________ altijd op te ruimen.
antwoord (optioneel): vergat
8. (rusten) De peuter _______________ lekker in de bakfiets.
antwoord (optioneel): rustte
9. (antwoorden) Jij _______________ altijd snel!
antwoord (optioneel): antwoordde
10. (schrijven) De koning _______________ de troonrede niet zelf.
antwoord (optioneel): schreef