werkwoordspelling
Vragen:
1. hij wandelt nu. Hij ... gisteren niet.antwoord (optioneel): wandelde
2. Zij speelt nu. Zij .... gisteren ook.
antwoord (optioneel): speelde
3. Hij redt de bal. Gisteren ..... hij de bal ook.
antwoord (optioneel): redde
4. Ik zwem. Wij ... vorige zomer.
antwoord (optioneel): zwommen
5. Ik lach. Wij .... daarnet ook.
antwoord (optioneel): lachten
6. Ik beloof. Wij .... dat eerder ook al.
antwoord (optioneel): beloofden
8. verhuizen. Ik ..... vorig jaar naar Tolbert.
antwoord (optioneel): verhuisde
9. Wij belanden in de sloot. Vorig jaar .... ik ook in het water.
antwoord (optioneel): belandde
10. Hij rent naar de bal. Wij .... daarvoor al naar de chocomelk.
antwoord (optioneel): renden