opdrachten 28
Vragen:
1. (beweren, t.t)) Hij .... dat hij nergens van weet.antwoord (optioneel): beweert
2. (voeden, t.t.) De gletsjers ........ de rivieren.
antwoord (optioneel): voeden
3. (vinden. t.t.) Els ...... dat geen leuk grapje.
antwoord (optioneel): vindt
4. (slepen, v.t.) Hij drie prijzen in de wacht.
antwoord (optioneel): sleepte
5. (vinden, t.t.) Dat ........ ik onzin.
antwoord (optioneel): vind
6. (bieden, t.t) Wie ......... er geld vor deze stoel?
antwoord (optioneel): biedt
7. (berispen, v.t.) Waarom ...... de afdelingsleider jou?
antwoord (optioneel): berispte
8. (vastspelden, volt.t.) De kleermaker heeft de jas ............
antwoord (optioneel): vastgespeld
9. (schaden, t.t) Wie teveel rookt, ...... de gezondheid.
antwoord (optioneel): schaadt
10. (stranden, v.t.) Tijdens de st0rm ........ het schip.
antwoord (optioneel): strandde